Titus magente totaal.jpg

De museale verbeelding van Titus Brandsma, een kans én een noodzaak  

Monseigneur, beste Hanneke en Mariken, waarde Hein, beste Ton, geachte aanwezigen.

Voor Titus-fans als velen van ons vandaag hier bijeen zijn, is dit een feestelijke dag. Al te lang hebben wij moeten wachten op een volwaardige biografie van Titus Brandsma. In het Titus Brandsma Museum in Bolsward heerst vandaag ook die gespannen verwachting. Waar het bisdom Rotterdam en de Radboud Universiteit bij u genoegzaam bekend zijn , geldt dat minder voor het Titus Brandsma Museum. Een korte toelichting dus. Het Titus Brandsma Museum is een klein museum, gewijd aan Titus Brandsma in de breedste zin van het woord. Vandaag zult u kunnen lezen hoe breed dat is. Negen jaar geleden ontstond bij het Documentatiecentrum RK Friesland het idee om meer met zijn collectie van en over Titus Brandsma te doen. In 2003 ging het museum in een voor dat doel aangekocht en volkomen gerenoveerd pand in de schilderachtige binnenstad van Bolsward open voor publiek. Het wordt geheel gerund door vrijwilligers, ongeveer 45 in getal, onder leiding van een bestuur. Zelf mag ik leiding geven aan dat gebeuren, maar ook ik ben vrijwilliger. Het museum beschikt nu over twee zalen, volgend jaar komt daar een derde bij. U hebt nu een beeld. Dat brengt mij bij het thema van mijn betoog vanmiddag. Beelden, wat doen beelden met ons? Hoe ontstaan onze beelden? Misschien een wat vreemde vraag op een dag, waarop wij in ieder geval een heleboel woorden rijker worden. Toch zou ik u graag willen vragen of u uw ogen voor een moment zou willen sluiten? Het maakt het namelijk gemakkelijker voor de geest te halen wat uw eigen eerste beeld van Titus Brandsma is geweest. Gaat uw gang.[wachten] Is dat beeld een eigen beeld, door u zelf geregistreerd, u hebt zelf pater Titus in levende lijve gezien, misschien persoonlijk ontmoet? Dan mag u zich gelukkig prijzen, dunkt me. Ik ben bang dat weinigen van ons hier aanwezig dat geluk ten deel gevallen is. De overgrote meerderheid, ook ik zelf, moet het doen met een overgeleverd beeld, een beeld dat anderen over Titus Brandsma hebben verspreid. In dat geval is de kans groot, dat het een traditioneel beeld is van Titus. In mijn geval was dit mijn eerste beeld.[de pater in de gang, ingekleurd] Dit is een staatsieportret van Titus, ter ere van zijn benoeming als hoogleraar aan de universiteit van Nijmegen. Het is echter geschilderd in 1951. In mijn jeugd stond deze foto op mijn nachtkastje. In een lijstje. Ik hoor u denken, geen wonder, dat Titus Brandsma Museum, dat moest er wel van komen. Misschien, nomen est omen. Ik ben geboren in 1956, 14 jaar na het overlijden van Titus. Dat mijn doopnaam Titus luidt, mag geen verrassing zijn als u weet dat mijn grootvader Tjebbe naar wie ik volgens traditie vernoemd ben, in Bolsward met een zekere regelmaat Titus Brandsma op bezoek kreeg, wanneer hij weer eens enkele dagen bij zijn moeder in Bolsward logeerde. Het eerste beeld dat mijn vader als jonge Bolswarder misdienaar van pater Titus had, kan ik u niet tonen. Van celebrerende priesters werden in die tijd geen foto’s gemaakt. Mijn moeder die tot na de oorlog woonde in Exmorra, een klein dorpje even buiten Bolsward, kende Titus Brandsma hooguit uit de Katholieke Illustratie en van deze bidprentjes die al in de oorlog, maar zeker nadien in groten getale werden gedrukt. [bidprentje: voorzijde] Maar nog meer was dit haar eerste confrontatie met het fenomeen Titus Brandsma:[kanarie] met dank voor de foto aan het Friesch Dagblad Mijn moeder kreeg in het begin van de jaren ’50 verkering met mijn vader. Toen het op zeker moment wat serieuzer werd, kwam zij bij hem thuis en zag dit opgezette vogeltje. In het gezin De Jong was dit heel gewoon ‘de kanarie van Titus Brandsma’. In de woonkamer van mijn grootouders stonden en hingen wel meer opgezette dieren. Zo herinner ik me als kleine jongen een wezeltje en een Vlaamse gaai. Die vond ik wel mooi. Die doodgewone kanarie herinner ik me niet meer. Hoe kwam die kanarie daar nou terecht? Mijn grootvader was in Bolsward hoofd van de Lagere Landbouwschool van de ABTB, de Boeren- en Tuindersbond in het aartsbisdom Utrecht waaronder Friesland tot 1956 ressorteerde. Zijn biologielessen gaf mijn opa onder meer met behulp van opgezette dieren. Dat wist Michiel de Boer, de zwager van Titus Brandsma. Want na Titus’ overlijden kregen zijn zus Gatske en Michiel de persoonlijke bezittingen van Titus. Daar was ook de toen nog levende kanarie van Titus bij. Net als zijn baas had ook de kanarie niet het eeuwig leven, althans op aarde. Michiel heeft toen de kanarie in een doosje meegenomen en ‘meester’ De Jong gevraagd of die daar interesse in had. Dat spreekt. Jaren heeft het beestje dus deel uitgemaakt van het huiselijk gebeuren. Toen wij in 2000 met de voorbereidingen voor het museum bezig waren, belde een tante van mij die het beestje geërfd had, of wij het in het museum wilden. Daar hoefden we geen seconde over na te denken. Dus, wilt u de kanarie van Titus Brandsma bewonderen, kom naar Bolsward. Waarom vertel ik u dit verhaal? Omdat het een beeld schept. Het verhaal voegt een nuance toe, een dimensie zo u wilt, aan het beeld dat wij, u en ik, van Titus Brandsma hebben. Wist u überhaupt dat Titus een kanarie op zijn werkkamer had? Wat zegt die nieuwe informatie? Aan het feitelijke profiel van Titus Brandsma, de priester, professor, Friese taalbevorderaar, journalistenvriend, mysticus, netwerker avant la lettre, verzetsman, allemaal zakelijke aspecten, wordt nu een human interest element toegevoegd: Titus dacht niet alleen in mensen, maar was ook een dierenvriend. Dit is een van vele mooie verhalen die de rondleiders in het Titus Brandsma Museum vertellen aan bezoekers, die de permanente expositie over Titus Brandsma “Hier sta ik voor, hier ga ik voor” willen bekijken. [beeld expo] En dat is essentieel, want een tentoonstelling, u weet het, is een verhaal. Een groot verhaal, opgebouwd uit allemaal kleine verhalen. En elk van die verhalen biedt ons museum in de eerste plaats een kans om ook andere facetten van Titus te belichten dan de bezoeker doorgaans wel kent. Maar het vormt ook de basisvoorwaarde, misschien wel de noodzaak, om die bezoeker gedoseerd in te leiden in de veelzijdigheid van Titus Brandsma. Niets bijzonders, denkt u? Nou, zo vanzelfsprekend is zo’n vogelverhaal niet. En zo vanzelfsprekend was dat vroeger zeker niet. Wanneer het Titus Brandsma Museum eerder zou zijn opgericht, bijvoorbeeld in de jaren ’50 toen de faam van Titus op zijn eerste hoogtepunt was, had men het verhaal van de kanarie waarschijnlijk niet de moeite waard gevonden. Te alledaags, te gewoon. Het museum zou toen een zeer zwaar accent gelegd hebben op Titus’ verzet tegen de Nazi’s, de oorlogsperiode , zijn lijden in de kampen en zijn dood. Beelden die daarbij horen, zijn: [portret van John Dons] [filmbeelden van Due Croci] Laatst heb ik een zondagmiddag doorgebracht met het doorlezen van het Gastenboek, waarin de museumbezoekers hun indrukken kunnen vastleggen. [museum]Ik zal dat binnenkort als therapie aanbevelen aan mijn bestuursleden, als we weer eens over de financiën en onderhoud van het gebouw stevige gesprekken moeten voeren. Want het runnen van een religieus-historisch museum anno 2008 is geen eitje, kan ik u verzekeren. In dat Gastenboek ontmoet je echt zulke diepe emoties, zulke persoonlijke herinneringen aan Titus en zijn familie, maar ook banaliteiten als “Mooi museum. Wij zijn hier op de fiets vanuit Joure.” Overigens, dat was niet in hartje zomer maar in maart.Wat mij treft bij het bestuderen van al die ontboezemingen in dat Gastenboek, is hoe vaak bezoekers menen te moeten bekennen dat zij niet wisten dat Titus Brandsma een zo veelzijdig iemand was. “Wat een bijzondere man.”, staat er dan. “Ik wist wel van de oorlog, maar niet van al zijn andere activiteiten.” Hoe komt het dat Titus’ oorlogsverleden zo overheerst in het beeld dat wij van hem hebben? In de eerste plaats vanwege het feit, dat de Tweede Wereldoorlog bij de Nederlandse bevolking een zeer levend verleden gebleven is. Dat geldt zowel voor hen die de oorlog hebben meegemaakt als bij latere generaties. In de tweede plaats danken we dat aan het dramatische karakter van de gebeurtenissen. In ons land kende vrijwel iedereen wel een of meer landgenoten, die onder het oorlogsgeweld geleden hadden. Dat uitgerekend ook Titus Brandsma, een priester, een icoon van katholiek Nederland, zo’n zelfde lot onderging, bleef lang de gemoederen bezig houden. Aan die droefheid werd nog meer bewondering toegevoegd, naarmate meer autobiografische kampverslagen werden gepubliceerd. Zeker wanneer mensen van andere religieuze overtuigingen in treffende woorden vertelden van Titus’ onbaatzuchtige gedrag. Maar die boeken las de katholiek zelf niet of nauwelijks. Bij hem was eigenlijk alleen het bestaan bekend van het werk van Henk Aukes, Titus Brandsma of later Het leven van Titus Brandsma. Sommigen hadden het boek zelfs ook nog gelezen. In zijn eerste editie (1947) besteedt Aukes maar liefst 92 van de 179 pagina’s (51%) aan de oorlogsperiode, in de tweede editie, uit 1961 die inhoudelijk gelijk is aan die uit 1985, beslaat de oorlog toch nog een respectabele 42%. [omslag Aukes, 1985]Ter vergelijking, in het boek van Crijnen dat vandaag wordt gepresenteerd is nog geen derde deel aan dit thema gewijd. Deze status van ‘Nederlandse held’ wordt dankbaar gecultiveerd. Het Nederland na 1945 neemt de schop in beide handen, bouwt het land en de economie weer op en voorkomt een breuk met de vooroorlogse samenleving. Maatschappelijk en kerkelijk establishment kunnen in de afbrokkelende verzuilde samenleving een man met zo’n sterk en veelzijdig imago wel gebruiken. Niet alleen bij de gewone gelovigen, maar ook als instituut blijft Titus voortleven.Zo wordt Titus Brandsma onder meer een exponent van 1. De opbouw van het katholiek onderwijs, bijvoorbeeld rondom Bolsward, maar ook in andere delen van het land. Hetzelfde geldt voor de padvinderij. [middelbare school in Oss] 2. De bedevaart naar Dokkum [Dokkum, 1924, eerste bedevaart van Friese priesters]3. Geloofsverkondiging en –traditie [4. Studie van spiritualiteit, in 1968 wordt het Titus Brandsma Instituut opgericht aan de Katholieke Universiteit.[Titus achter zijn bureau] Het herdenken van de Tweede Wereldoorlog is in Nederland een sterk collectief gebeuren geworden. De onlangs overleden socioloog Van Doorn sprak zelfs eens over de “bijzonder omvangrijke herinneringsindustrie”. In de woelige jaren ’60 leek de oorlog als thema passé, maar vanaf de jaren ’70 bleek de oorlog weer helemaal terug van weggeweest. 5 Mei is pas sinds 1990 weer een nationale feestdag. Het beeld van Titus als verzetsheld profiteerde daarvan.In de laatste decennia hebben we een verbreding van de interpretatie van de oorlogservaringen zien voltrekken: in de jaren ’70 staat het dreigende neo-fascisme en rechts-extremisme centraal, daarna komen achtereenvolgens racisme en discriminatie aan bod. Meer in het algemeen wordt de Tweede Wereldoorlog ‘gemobiliseerd’ bij schending van mensenrechten. In dat verband moet u ook de Titus Brandsma Award zien, de prijs voor ‘moedige journalistiek’, ingesteld door de UCIP en de Nederlandse kerkprovincie, die individuen en groepen ondersteunt die protesteren tegen dergelijke schendingen. Met name het elke drie jaar terugkerend aspect van de Award uitreiking biedt mogelijkheden om dit aspect van Titus Brandsma telkens over het voetlicht te brengen. Aan de andere kant, deze actualisering van de herinnering aan de oorlog draagt overigens ook het gevaar in zich. Het eigentijdse morele oordeel verdringt immers de werkelijkheid van het oorlogsgebeuren. Maar naar mijn inschatting is het overheersende beeld van ‘Titus de verzetsheld’ niet alleen aan Henk Aukes of de herinneringsindustrie te danken. Ik ben ervan overtuigd, dat het proces van de zaligverklaring, als onderdeel van het uiteindelijke doel van  heiligverklaring, een zo mogelijk nog grotere rol gespeeld heeft. Deze poster spreekt boekdelen.[zaligverklaringsposter] Het gaat vandaag te ver om toe te lichten, laat staan uit te maken of Titus om geloofsmotieven dan wel uit louter politieke motieven heeft gehandeld en of hij al dan niet slachtoffer is geworden van geloofshaat door de Nazi’s. Leest u daar straks de laatste hoofdstukken van Ton Crijnen maar op na. Maar omdat het al dan niet vermeende geloofsmartelaarschap van Titus natuurlijk niet los gezien kan worden van de oorlog, heeft die combinatie een evenwichtig beeld bij het publiek bemoeilijkt. Terwijl Brandsma’s veelzijdigheid toch bij uitstek zijn werkelijke kracht vormt. Want aan Titus’ verzetsprofiel kunnen zeker deze thema’s worden toegevoegd:- zoon van een eeuwenoud Fries geslacht - staand in de eeuwenoude Karmeltraditie [Teresa van Avila]- bevorderaar van Friese cultuur en geloofstradities [kruiswegstaties Dokkum]- onderwijsstimulator [school Oldenzaal]- mysticus en Maria-devoot- warme persoonlijkheid [de jas]- wetenschappelijk onderzoeker op een groot aantal terreinen [middeleeuwse kloosters]- netwerker en reiziger - journalist en belangenbehartiger [lidmaatschapskaart]- etc. etc.U ziet het: museaal verbeelden van de caleidoscoop die Titus Brandsma heet, biedt vele kansen. Aan de andere kant moeten we ook beseffen, dat we laagdrempelige media ook nodig hebben om het publiek voor Titus Brandsma te interesseren. Ook na vandaag, juist na vandaag. Want hoevelen van onze doelgroep koopt nu dit boek van Crijnen? Ik moet bekennen, dat wij ons als museum wel eens zorgen maken. Er blijkt immers niets nieuws onder de zon te zijn. Ruim vijftig jaar geleden sprak in deze zelfde stad op de jaarlijkse Landdag van de St. Adelbert-Vereniging professor Rogier de volgende kritische woorden uit. Ik citeer: “Hoelang nog zullen wij katholieken tekortschieten in het besef van de plicht, dat wij aandeel behoren te nemen in het hedendaags cultuurleven?” [culturele inertie]Waar professor Rogier een van de oorzaken zocht bij de controle en afscherming door de katholieke overheid, is dat tegenwoordig niet meer aan de orde. Katholieken laten zich niet meer op dat terrein de wet voorschrijven, althans niet door het episcopaat. Maar het effect van wat Rogier de ‘culturele inertie’ noemde, is blijkbaar wel intact gebleven, alle welvaart en beschikbare cultuuraanbod ten spijt. Van Aukes’ drie edities en Brocardus Meijers ene boek over Titus, lange tijd de enige werken die mochten bogen op authentiek bronnenonderzoek, zijn niet meer dan één druk van de pers gerold. Beide boeken zijn nog steeds antiquarisch breed te koop. Gemakshalve praten we bij elkaar dus over zo’n 16.000 exemplaren, in 60 jaar tijd. Dat is niet veel. Daarentegen krijgt theatermaker Peter Vermaat wanneer hij in zijn drukke bestaan nog tijd heeft om zijn Titus-voorstelling te spelen, aardig gevulde zalen. En als het een beetje meezit, stapt nog binnenkort de 10.000e bezoeker in onze zes jaar bestaan over de drempel. De 2000e van dit jaar, een record, hebben we twee weken geleden al genoteerd. Bemoedigende tekenen voor een jong museum, maar toch hebben we nog een lange weg te gaan. Het zal u misschien niet verbazen, dat wij bij tentoonstellingen in en flankerende activiteiten van het Titus Brandsma Museum regelmatig een positievere attitude constateren van protestanten en predikanten dan van katholieken en pastores. Bij de eerstgenoemde groep wordt toch meer onderkend, dat wij in onze tijd behoefte hebben aan inspirerende helden, aan vrouwen en mannen aan wie wij een voorbeeld willen nemen. Zo spreek ik regelmatig katholieken in het hele land. Een parochiebestuurder laatst uit Amersfoort had vaag “wel eens van Titus Brandsma gehoord”. En ook in mijn eigen Friese provincie moeten vele trouwe katholieken na zes jaren nog steeds hun voornemen inlossen, om die luttele autokilometers naar Bolsward af te leggen een bezoek. “Geen tijd gehad?”, vraag ik dan zorgzaam. “Jawel”, luidt het schuchtere antwoord. “Wat doen jullie dan op zondagmiddag zoal? Een boek lezen?” “Nee, dan gaan we wandelen of fietsen of we kijken TV.” En dan hebben we nog de jeugd. Jeugd van deze tijd lijkt soms helemaal woord-avers te zijn, maar wordt bij uitstek getriggerd door beelden. Het zou helemaal niet zo’n slecht idee zijn, als we op basis van het boek van Crijnen een stripverhaal, of misschien wel meer dan een, over Titus Brandsma zouden laten maken. En een film zit er natuurlijk helemaal in. Wat die Italianen in 1988 konden, moet in Nederland ook mogelijk zijn. [film Il Due Croci] Ik kom tot een afronding. Hierna komt het moment suprème waarvoor u tenslotte gekomen bent. Ton Crijnen zal vertellen hoe hij er toch toe gekomen is dit magnum opus – want zo mag je dit kloeke boek toch wel bestempelen – te schrijven. Het zal ons verrijken met ontzaglijk veel beelden van Titus Brandsma, oude bekende maar ook nieuwe.  Beelden waar wij als Titus Brandsma Museum ons voordeel mee zullen doen, om die op een laagdrempelige manier, de noodzakelijke eerste stap, aan het publiek te presenteren. Nog beter blijft het als wij Titus zelf tot onze verbeelding laten spreken.

Dan heb je museale verbeelding niet nodig. Ik dank u voor uw aandacht.  

Leeuwarden, 27 november 2008Drs. Tjebbe T. de Jong Titus Brandsma Museum

Museum

TBM.jpg
ct - 1.jpg